woensdag 21 juni 2017

RACI-model

Voor de beschrijving van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden wordt het RACI-model vaak gebruikt. Het RACI-model is een matrix die gehanteerd wordt om de rollen en verantwoordelijkheden van de personen die bij een project of lijnwerkzaamheden betrokken zijn weer te geven.



De letters staan voor de volgende termen:

R
R staat voor Responsible,

(NL: Verantwoordelijk).


Wie verzorgt de uitvoering?
Degene die verantwoordelijk is voor de uitvoering. Verantwoording wordt afgelegd aan de persoon die accountable is.

A
A staat voor Accountable,

(NL: Eindverantwoordelijk)

Wie is eindverantwoordelijk voor het resultaat?
Degene die (eind)verantwoordelijk, bevoegd is en goedkeuring geeft aan het resultaat. Als het erom gaat, moet hij/zij het eindoordeel kunnen vellen, vetorecht hebben. Er is slechts één persoon Accountable.

C
C staat voor Consulted,

(NL: Geraadpleegd)

Wie moet worden geraadpleegd?
Deze persoon geeft (mede) richting aan het resultaat, hij/zij wordt voorafgaand aan beslissingen of acties (verplicht)geraadpleegd. Dit is tweerichtingscommunicatie.

I
I  staat voor Informed,

(NL: Geïnformeerd)

Wie moet worden geïnformeerd?
Iemand die geïnformeerd wordt over de beslissingen, over de voortgang, bereikte resultaten enz. Dit is eenrichtingscommunicatie.


woensdag 8 maart 2017

Zeg niet tegen je kind: ‘Wat ben je slim’

Niet ieder kind is hetzelfde. Kinderen hebben allemaal hun eigen talenten: kijk maar naar de schoolresultaten. Toch denkt de wetenschap dat dit niet zo hoeft te zijn, en dat álle kinderen hetzelfde zouden moeten kunnen als het op schoolresultaten aankomt. Hoe? Met de juiste hulp van de docent en de ouders.
Een kind heeft twee eigenschappen nodig om succes te boeken, volgens de Amerikaanse wiskundedocent Angela Lee Duckworth. En dat zijn passie en doorzettingsvermogen.

Help je kind te leren doorzetten
Ouders hameren erop: goed leren en diploma's halen, zodat je er later zeker van bent dat je een baan hebt waarbij je goed verdient. Maar voor kinderen op de basisschool is dat nog zó ver weg, daar maken ze zich nog niet druk om. Of hij nou een hoog IQ heeft of niet. Maar volgens Duckworth kun je ieder kind, écht ieder kind, aanleren om door te zetten. Doorzettingsvermogen kun je dus leren, stelt ze. En je kunt je kind ervan overtuigen dat het de moeite waard is om vol te houden, ook als het resultaat niet meteen zichtbaar is.

Ieder kind kan hetzelfde
De overtuigingen van Duckworth ontstonden toen ze een wiskundetoets nakeek. Het viel haar op dat zelfs de kinderen die de stof in de les mega snel oppikten slecht scoorden. De docente begreep hier niets van. En dus ging ze terug naar de schoolbanken voor een studie psychologie. Met als hamvraag: welke factoren bepalen of iemand met succes zijn doel bereikt?

Duckworth weet dat ieder kind is anders en de één kan beter omgaan met teleurstelling dan de ander. Zo lijken kinderen met ADD, ADHD of asperger minder goed met frustraties om te kunnen gaan – iets wat eigenlijk onvermijdelijk is als je studeert, toch? De docente kwam met een antwoord op haar vraag: doorzettingsvermogen en passie voor het einddoel. En ook kinderen bij wie het allemaal wat lastiger verloopt, kunnen doorzettingsvermogen aanleren, zonder dat de finishlijn al direct in zicht is.

Fixed mindset en growth mindset
Het experiment van psychologe Carol Dweck match goed bij dit onderwerp. Zij deed jarenlang onderzoek naar motivatie, prestatie en succes. Hieruit kwamen de door haar verzonnen begrippen fixed mindset en growth mindset: een starre, tegenover een op groei gerichte denkhouding. Volgens haar onderzoek gaan kinderen met een fixed mindset – die denken dat je aan je intelligentie niet kunt sleutelen – minder snel en lang een moeilijke uitdaging aan dan kinderen met growth mindset. Zij denken juist dat ze slimmer kunnen worden door te oefenen.

Experiment
De psychologe liet achtjarige kinderen zowel alleen als in het bijzijn van een begeleider, steeds ingewikkeldere blokkenpuzzeltjes oplossen. 'Wat ben je slim', kreeg de eerste groep kinderen te horen nadat ze de puzzel gelegd had. Terwijl de kinderen uit de tweede groep te horen kregen: 'Wat heb je goed je best gedaan'. Vervolgens kregen allebei de groepen een moeilijkere puzzel voor hun kiezen, waarna ze ook weer diezelfde reactie kregen.

De impact van de feedback bleek al na die tweede puzzel groot te zijn. De kinderen kregen de vraag of ze liever een moeilijkere of makkelijkere puzzel wilden. Van de 'Wat heb je goed je best gedaan'-kinderen kozen aanzienlijk meer kinderen voor de moeilijkere puzzel dan de 'Wat ben je slim'-kinderen. Volgens Dweck omdat zij bang waren om hun 'Ik ben slim'-status te verliezen.

Zeg: 'Je kunt het nóg niet'
Volgens de psychologe is het ook beter om niet 'Je kunt het niet' te zeggen, maar 'Je kunt het nóg niet'. De psychologie kaart aan dat het heel belangrijk is om je kind uit te leggen dat hersenen sterker worden als je iets doet wat je moeilijk vindt, net als spieren. Kinderen die dat opslaan, halen betere resultaten op school, weet ze. Helemaal de kinderen voor wie leren extra pittig is.

Hoe help je je kind?
Wat kun jij doen om je kind nog meer aan zo'n growth mindset te helpen? Zowel Dweck als de Canadese psychotherapeut en opvoedadviseur Andrea Loewen Nair geven tips:
  • Focus op het leerproces in plaats van het eindresultaat (zowel scholen als ouders)
  • Laat je niet leiden door angst voor zitten blijven of afzakken naar een lager schoolnieau
  • Koester fouten: daar leren kinderen het meest van
  • Maak duidelijk dat tegenslag en frustratie bij het leven horen. Ga lastige situaties niet uit de weg uit angst voor een gefrustreerd kind
  • Leef mee met teleurstelling: praat erover, oordeel niet, probeer samen een oplossing te vinden
  • Geef het goede voorbeeld: ga niet door het lint als jou iets niet lukt
  • Hoe ga jij om met je kind en zijn prestaties op school?



Bron: Psychologie Magazine

dinsdag 24 januari 2017

Motivatie, zelfvertrouwen,autonomie en verbondenheid

Intrinsieke en Extrinsieke motivatie
We maken onderscheid tussen twee soorten motivatie: die van binnenuit komt (intrinsieke motivatie) en motivatie van buitenaf (extrinsieke motivatie). Vooral de motivatie van binnenuit is belangrijk. Die motivatie komt uit drie bronnen:

- Zelfvertrouwen
- Autonomie
- Verbondenheid

Zelfvertrouwen is het geloof in eigen kunnen. Als een kind het gevoel heeft dat hij ergens goed in is gaat de motivatie omhoog, als een kind het gevoel heeft dat hij ergens slecht in is daalt de motivatie.

Autonomie betekent dat een kind het gevoel heeft dat hij zelf de keuzes mag maken in zijn sport. Als je als ouder teveel stuurt dan neemt de autonomie en daarmee ook de motivatie, snel af.

Verbondenheid betekent dat een kind zich verbonden voelt met haar leeftijdsgenoten, de trainer en met jou als ouder in de context van het sporten. Als je belangstelling hebt en betrokken bent dan draagt dat bij aan de motivatie.

Meer informatie via http://slideplayer.nl/slide/9493776/